Als ik naar papa ga dan pakt mama mijn koffertje voor me in. Het is een bruin koffertje met paardenstickers. Die stickers heb ik van papa gekregen. Toen hij nog bij ons was. Aan het koffertje hangt een sleutelhanger met een foto van mama erin. Ze is heel mooi op die foto. Ze draagt een witte jurk en heeft wel duizend kleine bloempjes in haar haar. Die foto is genomen op de mooiste dag van haar leven, zegt mama altijd. Ik vind dat een beetje gek want hoe kan mama dat nou weten. Haar leven is toch nog niet voorbij? Als je oud bent en je gaat bijna dood dan pas zou je je mooiste dag moeten kiezen. Maar mijn mama weet het nu al.
In het koffertje dat ik meeneem als ik naar papa ga zitten een heleboel dingen: vier onderbroekjes, een pyama, een spijkerbroek, drie t-shirts, sokken, slippers, mijn beer, mijn tandenborstel en de grote foto van mama en mij die ik naast mijn bed heb staan. Altijd stopt mama eerst de foto in mijn koffertje, dan de beer. Mijn tandenborstel stopt ze in een plastic zakje voordat hij de koffer ingaat. Pas op het laatst gaan al mijn kleren erin. En dat is altijd een beetje proppen. Eigenlijk is het veel te veel wat mijn mama in mijn koffer stopt. Van mijn onderbroeken heb ik er maar drie nodig. Eigenlijk maar twee want ik blijf altijd twee nachtjes slapen bij papa. Mama stopt er twee extra in voor als ik een ongelukje krijg. Maar ongelukjes heb ik allang niet meer. Ik ben een grote meid. Bovendien heb ik bij papa mijn eigen onderbroekjes. En kleren en pyama’s , een tandenborstel en mijn papabeer. Maar dat weet mijn mama niet.
Als mijn koffertje klaar is brengt mama mij naar papa toe. Dan ben ik een mamakind dat op reis gaat. ‘Nou, veel plezier dan maar weer,’ zegt mama als ik met mijn koffertje voor papa’s deur sta. Ze zwaait altijd nog even voor ze wegrijdt. Dat doet ze ook als ze me op school afzet maar dan een beetje anders. Op school zwaait ze snel en lang. Met een glimlach zwaait ze. Als ze me bij papa heeft afgezet zwaait ze kort en rijdt ze snel weg. Zonder glimlach. Misschien geeft ze haar glimlach dan aan papa, want die lacht altijd heel blij als hij de deur voor me opendoet. Maar dat ziet mama niet.
Als ik over de drempel stap bij papa dan ben ik een mamakind dat bij papa op bezoek is. Ik geef mijn papa een zoen en loop met mijn koffertje naar mijn kamer. Het eerste dat ik doe is mijn koffertje uitpakken. Ik leg alle spullen op mijn bed. Onder mijn bed bij papa ligt een grote roodfluwelen doos. Daar stop ik al mijn mamaspullen in. Ik kleed me uit en stop mijn kleren er ook in. Op de foto van mama en mij geef ik mijn mama een kus. ‘Dag mama, tot over twee dagen.’ En dan doe ik de roodfluwelen mamadoos dicht en schuif hem naast mijn koffertje onder mijn bed.
Heel even ben ik dan een niemandskind. Bloot en kaal en alleen. Dan loop ik naar de kast en trek ik mijn papakleren aan.


leuk en herkenbaar verhaal…