Voor me en achter me ligt alles in puin. Waar ik vandaan kwam staat nu een ruine. Waar ik naartoe ga, nee, dacht te gaan, stuit ik op een ravijn. Daarachter, in de verte, ontwaar ik een luchtkasteel dat terwijl ik ernaar kijk vervaagt, instort en opnieuw verschijnt. Ik kan niet verder lopen. Ik blijf staan.
‘Waar ben ik in Godsnaam,’ vraag ik me af en ga op een rotsblok zitten. Tussen wat voelt als de ene en de andere ravage in. ‘Dit is het Nu,’ hoor ik iemand zeggen. ‘Het Nu, dat is waar je bent.’
Ik kijk om me heen en zie een lege dorre kale vlakte. Afgezien van de rots waarop ik zit is hier niets. Wat moet ik hier doen?
‘Blijven zitten tot je het Nu aanvaarden kunt.’
Blijven zitten? Maar er is hier niets. Hier wil ik echt niet zijn. Ik moet verder weg van wat ik achter wil laten en daar naartoe waar alles beter is. Ik wijs van de rokende ruine naar het luchtkasteel dat aan het oplossen is. Zie, ik heb haast. Straks is het weg. En ik spring van mijn rotsblok en begin te rennen. Langs het ravijn. Ik wil naar de toekomst toe.
Ik ren en ren. Raak buiten adem. Sprint verder, struikel over mijn eigen benen en ga onderuit. Stof in mijn neus en in mijn mond. Ik krabbel op, wil nog een poging wagen om te maken dat ik wegkom van dit hier. Als ik sta zie ik hetzelfde rotsblok weer liggen. En ik kijk verbaasd om me heen. Achter me rookt nog steeds de ruine en voor me sluieren de contouren van kantelen. In afstand heb ik helemaal niets gewonnen. Verleden en toekomst staan nog steeds even ver van mij af.
Ik ga weer op het rotsblok zitten. In dit kale niemandsland en overweeg mijn opties. Ik kan dus niet naar voren en wat ik achter wil laten sleep ik met me mee. Er blijft niks anders over dan te blijven zitten waar ik zit. En ik zit. Ik zit alleen maar te zitten. Minuten, uren, dagen en nachten. Ik huil om waar ik vandaan kom, ik verlang naar waar ik heen wil en huil daar ook om. Minuten, uren, dagen en nachten. Net zo lang tot ik mij bewust wordt van het rotsblok onder mij en ik voel dat ik zit. Ik voel dat mijn voeten de aarde raken. Ik merk dat de wind mijn gezicht zachtjes streelt. Mijn hart voel ik, dat klopt in mijn lijf. Mijn bloed voel ik stromen, door elke cel. Een warme gloed voel ik van binnen.
Om mij heen is de vlakte veranderd. Er staan bomen, er is gras. Zelfs bloemen. Ik hoor vogels en voel de zon. Ik sta op van mijn rotsblok. Mijn voeten stevig op de grond. Een kolibrie suist langs mijn oren en duikt een honingbloem in. Ik hoor een beek ruisen en loop erheen. Het water is helder en kabbelt langs de kant. Een vis springt uit het water. Besprenkelt mij. En ik lach om zijn capriolen. De kleuren om me heen zijn fel en diepdoordringend. Dat ontroert me en ik laat wat ik nu voel zonder weerstand uit mij stromen.
Waar ben ik? vraag ik me af.
‘Dat weet je zonder dat ik je dat hoef uit te leggen,’ is het antwoord dat ik krijg.
Ik kijk nog eens goed om me heen. De ruine achter me is niet verdwenen. Het luchtkasteel is ook niet opgelost. Maar ik denk aan geen van beiden. Ik zie ze alleen. Ik voel ook niet meer de verstikkende behoefte om ergens vandaan of naartoe te rennen. En dan besef ik me waar ik ben aangekomen.
Ik ben in het Nu. Waar ik alleen maar ben.

Ben blij dit te lezen.
Kus Brenda
Mooi stuk.
Aan geen van beiden denken inderdaad……Gewoon positief doorgaan.
Je bent heel goed op weg !
Aki bo ta hasi falta si…..
brasa
wat vind ik dit stuk prachtig en waardevol. Goh! Echt genoten zoals vaker als ik jouw site bezoek. Dankjewel voor deze troostende tekst. Liefs Iet