Sluit uw ramen, vergrendel uw poort. Verschans u in uw beveiligde bunker, met in uw hart de bonkende hunker dat de onrust u niet stoort.
Want buiten maait de waanzinwind, in de vorm van een eens onschuldig kind, in wilde wanhoop om zich heen.
Het vroeg om eten, maar kreeg een leeg bord. Het vroeg om liefde maar ontving een klap. Het vroeg ‘Waarom’ maar kreeg geen woord. Het vroeg om aandacht maar kreeg een trap.
Gesmoord smeulden de verstilde vragen onder de verharde lagen van een onschuldig kinderhart.
Er was eten, maar we deelden het niet. Er was liefde, maar we gaven het niet. We wisten waarom, maar zeiden het niet. Er was aandacht, maar tijd maakten we niet.
En nu maait buiten de waanzinwind, in de vorm van een eens onschuldig kind, in wilde wanhoop om zich heen.
En wij? Wij sluiten onze ramen, Wij vergrendelen onze poort. Wij verschansen ons in een bunker, met in ons hart een bange hunker die ons doet bidden en hopen dat ons leven niet wordt verstoord.

