Elodie Heloise

Woorden door Elodie Geluksdag

Ik lag bij een van de snorkelspots op Curaçao in het water. Beetje visjes kijken, zwemmen en genieten van een welkome afkoeling op een warme dag.

Lenga ta kòrta – Kunstenaar Kati Qui

Ook toeristen komen er en het was druk. Te druk. Ik had het strand de rug toegekeerd en staarde over het blauw van de zee in een poging te ontspannen. Maar het was te laat.

In mijn hoofd zwol de klachtenlijst aan over de gevolgen van met name de overvloed aan Nederlandse toeristen op ons eiland: 1. Ze passen zich niet aan, 2. Ze rijden zonder Tshirt in hun huurauto’s, 3. Ze kopen woningen op, 4. Ze doen alsof ze thuis zijn, 5. Ze respecteren onze waarden en normen niet…

Een dame zwom mijn kant op. Ze had een zeer innemende glimlach en groette me alsof ze me al jaren kende. Ik bleek op haar zus te lijken die verderop in het water lag. Ze lachte om haar vergissing en er kwam een gesprek op gang. ‘Heerlijk hier’, zei ze. ‘We komen drie keer per jaar. Even weg uit Nederland want daar, ik mag het eigenlijk niet zeggen, maar… is het wel erg ingewikkeld nu met al die buiten landers.’

‘Ik mag het eigenlijk niet zeggen, maar…’ Daarmee impliceerde ze dat ze heel goed wist wat voor de wereld wenselijk is (geen oorlog, niemand honger, iedereen een dak boven het hoofd). Tegelijkertijd vroeg ze ook aandacht voor de bezwaren die aan zulk een Walhalla kleven, vooral met het oog op zelfbehoud. In de praktijk moet, zoals ze aan gaf, de uitvoering van die mooie wensen niet te veel moeite kosten (erg ingewikkeld) en vooral op gepaste afstand blijven (buitenlanders). Het was mijn geluksdag. Niet alleen was het strand overvol met toeristen, ik mocht ook nog eens in gesprek met een ‘Ingrid’.

Nou mevrouw, van wat u daar zojuist zei over buitenlanders, daar vind ik iets van. Dat dacht ik, maar dat wilde ik niet zeggen omdat ik ‘Daar vind ik iets van’, veel erger vind dan ‘Ik mag het eigenlijk niet zeggen, maar…’ Met ‘Daar vind ik iets van’ ventileert men afkeur in de vorm van een voor ingenomen mening. Vaak gepaard met een hoog hartige, veelbetekenende blik die een beroep doet op een haast telepathische gelijkgestemdheid binnen een groep.

Afschuwelijk. En wanneer jij de ontvanger bent van dat zinnetje, is jouw plek in het gezelschap direct duidelijk. Je bent afgeserveerd. Waar ‘Daar vind ik iets van’ rigoureus en op voor hand uitsluit, lijkt het ‘Ik mag het eigenlijk niet zeggen, maar…’ in elk geval nog naar iets van bijval (of begrip) te hengelen voor dubieuze ideeën die op het randje van het betamelijke balanceren of er net overheen schieten. Het is een strijd tussen de openlijke, ongefundeerde afkeuring of het meer onderzoekende afvuren van giftige pijlen om te kijken of ze doel treffen.

Beide opmerkingen zijn flagrante tekenen van deze tijd waarin mensen steeds vaker zonder gêne de extremen opzoeken. Het is pro of contra. De middenweg bestaat niet meer. En wie twijfelt, is kansloos: je wordt dan door de ander ingedeeld in een van de twee categorieën. En zo staan mensen ineens lijnrechts of linkskrom tegenover elkaar. Dat heet dus polarisatie en daar wil ik zo min mogelijk aan bijdragen.

Aldus slikte ik mijn eerste reactie op de opmerking van de dame in het water over de buitenlanders in en zei: ‘Tja, de wereld is druk. We zijn met acht miljard mensen nu. Die moeten ergens wonen.’ Daar moest ze even over nadenken. ‘Nou, het zijn er anders wel erg veel hoor,’ vervolgde ze. ‘En mijn dochter kan daarom geen huis krijgen. We hebben haar maar meegenomen op vakantie. Tegen de stress. Zelf zitten we prima, we wonen in een goede buurt en gelukkig kunnen wij weg. Wij gaan er vaak op uit. Met het vliegtuig. Maar dat moet je niet verder vertellen, hoor. En waar verblijf jij?’

Ik haalde diep adem, zocht naar wijsheid en zei: ‘Ik verblijf niet, ik woon hier.’ Mijn gesprekspartner reageerde opgetogen. ‘Oh, dat willen wij ook. We zijn al aan het kijken naar een huis. Niet voor altijd, voor een paar maanden per jaar. Heb je tips voor ons?’

‘Ik woon hier al sinds mijn vijfde jaar. Het kwam er venijniger uit dan ik wilde. Maar ik had afstand nodig: zij en ik waren misschien allebei wit maar absoluut niet hetzelfde.

‘Oh’, zei ze verbaasd. ‘Dus je bent eigenlijk een Curaçaoënaar?’ Ik knikte. ‘Oh’, zei ze een beetje teleurgesteld. ‘En wat eet je hier dan?’

De klachten lijst in mijn hoofd had nu allemaal vinkjes en alarmbellen, maar ik hield vol. ‘Van alles. En omdat we hier met zoveel verschillende mensen wonen, is er dus van alles te krijgen. Van geitenstobá tot kibbeh en boerenkool.’ Bij die laatste opmerking zag ik haar gezicht oplichten. ‘Echt, boerenkool is er ook?’ Hier trok ik de grens. ‘Ik moet gaan. Veel plezier nog, deze vakantie.’

Vertwijfeld zwom ik terug naar het strand. Had ik haar nu zomaar het laatste duwtje gegeven om zich op mijn eiland te vestigen?

Het kunstwerk op de foto is van Kati Qui, één van de vele multidisciplinaire kunstenaars die dit eiland rijk is. Kati’s oorspronkelijke passie is het poppentheater. Meer van deze kunstenaar is te zien op INSTA @kati_qui

Deze column verscheen in het Boekman Magazine. Nummer 145 met het thema Artistieke vrijheid onder druk.