Elodie Heloise

Woorden door Elodie Toiletgesprek

Ik schoof mijn stoel naar achteren en liep als een terdoodveroordeelde achter hem aan de gang in. Onderweg dienden zich duizend gedachten aan in een poging tot een laatste pleidooi voor genade te komen. Want aan mijn hersenen mankeerde niks. En dat wist mijn grootvader ook.

Ontwerp Amber van Gastel

‘Kom mee. Ik wil je wat laten zien.’ Schoorvoetend volgde ik mijn grootvader. Hij had even daarvoor mijn rapport bekeken en dat zuchtend teruggelegd op tafel. De eerste minuten zei hij niks. Hij keek langs of door me heen, met zijn leesbril scheef op zijn neus. De coniferen in de achtertuin en mijn fiets die ik nog niet in de schuur, maar er tegenaan had gezet, spiegelden in zijn glazen. Ik voelde me belabberd. Wilde op die fiets springen en maken dat ik wegkwam. Maar dat flik je niet met grootvaders. En zeker niet met één van het kaliber grootvader dat ik had. Ik schoof mijn stoel naar achteren en liep als een terdoodveroordeelde achter hem aan de gang in. Onderweg dienden zich duizend gedachten aan in een poging tot een laatste pleidooi voor genade te komen. Want aan mijn hersenen mankeerde niks. En dat wist mijn grootvader ook.

De belangrijkste reden van mijn op z’n zachtst gezegd tegenvallende lijst was dat ik simpelweg niet wilde zijn waar ik was. Ik was 14, inmiddels bijna een jaar in Nederland en ik voelde me volledig ontheemd. Ik vond geen aansluiting bij leeftijdsgenoten, sprak en dacht anders, begreep niets van hen of van het land en werd daarop afgerekend. Ik was me constant bewust van mijn anderszijn, wat me onzeker maakte en me het gevoel gaf in een mijnenveld te lopen. Ik werd gehusseld in een tombola van boosheid, frustratie en verdriet en kon me niet herinneren wanneer ik voor het laatst echt gelachen had. Het enige dat ik wilde, was zo snel mogelijk terug naar Curaçao, waar ik mijn echte ik had moeten achterlaten. En omdat dat niet kon, ontvluchtte ik mijn werkelijkheid door te lezen. Overal, ook op school tijdens de lessen. Vandaar die mooie cijfers.

Maar dat kon ik mijn grootvader allemaal niet vertellen. Hij had ons geholpen met de overtocht, hetvinden en inrichten van een huis in een nette buurt. Hij was op jacht geweest naar geschikte scholen en ontzettend blij dat hij zijn kleinkinderen en dochter na jaren eindelijk weer in zijn directe omgeving had. Hij had ons gered  uit een moeilijke situatie en mijn schoolprestaties gaven op geen enkele wijze mijn dankbaarheid weer.

Niet voor niets

Ik was een rotkind, concludeerde ik, en ik besloot zonder weerwoord te accepteren wat kwam. Met hangende schouders voegde ik me bij mijn grootvader. Hij had de deur van de wc in de gang opengezet en nodigde me uit bij hem te komen staan aan de andere kant van het toilet. De deksel had hij al opengezet. Er dreef één zielig velletje toiletpapier in.

‘Kijk meisje, ieder mens wordt geboren met talenten. Daar heb je niets voor hoeven doen. Je hebt ze gewoon gekregen. Gratis. Maar ze zijn er niet voor niets. Het is de bedoeling ze te gebruiken om een bijdrage te leveren aan het welzijn van de wereld en de mensen die er wonen. Dat geldt voor ieder mens met zijn eigen unieke talenten op zijn eigen unieke manier en dat is ook jouw opdracht en plicht in dit leven. Maar…’

Na de ‘maar’ ging mijn grootvaders hand naar de doortrekker van de wc. ‘… je kunt je talenten natuurlijk ook wegspoelen en niets doen om van deze wereld een betere plek te maken.’ En hij haalde de hendel over. Ik kon niet anders dan in de pot kijken en zien hoe dat ene velletje met luid kabaal het riool in werd gezogen. Alsof het er nooit geweest was. Mijn grootvader deed de deksel naar beneden en keek me aan. ‘Dat wilde ik je even zeggen.’

Ik was zwaar onder de indruk. In dit korte toiletgesprek had mijn grootvader me een les voor het leven gegeven. In minder dan vijf minuten leerde ik dat elk mens ertoe doet, dat de bijdrage van elk mens meetelt, dat intelligentie geen verworvenheid is maar een gift, dat er geen onderscheid behoort te zijn op basis van geboortekenmerken, dat ik niet alleen een verantwoordelijkheid had naar mezelf maar ook naar anderen toe en dat ik daarin ook nog eens een vrije keus had, hoewel ik de morele druk die mijn grootvader uitoefende natuurlijk voelde.

Deze gebeurtenis vormde mijn grondhouding in dit leven. Een leven in een wereld waar met het verstrijken van de tijd veranderingen elkaar in rap tempo opvolgen en de vraagstukken die daarmee gepaard gaan alleen maar groter, abstracter en complexer lijken te worden. De antwoorden komen mij steeds vaker voor als absurd, gestript van menselijkheid, dienstbaarheid of empathie en staan mijlenver af van wat mijn grootvader me leerde.

We zijn keihard de weg kwijt en ik ben terug in die tombola van boosheid, frustratie en verdriet. Waarom zou je nog een bijdrage leveren? Wat heeft het voor zin? Maar voordat de machteloosheid mij overmeestert en in een depressie stort, zie ik mijn grootvader weer staan. Bij het toilet. En dan maak ik een lijstje met mensen waartegen ik graag zou willen zeggen:

‘Kom mee. Ik wil je wat laten zien.’

De illustratie is gemaakt door Amber van Gastel, een ontwerper met een focus op neurodiversiteit en mentale gezondheid.Vanuit haar eigen ervaring als laat gediagnosticeerde autistische vrouw ontwikkelde zij een visuele kaartenset die helpt om gesprekken over autisme op gang te brengen. De kaarten maken gebruik van beeld, gevoel en associatie om communicatie toegankelijker te maken voor mensen bij wie woorden soms tekortschieten. Amber ontwerpt met aandacht, onderzoek en verbeelding om persoonlijke ervaringen zichtbaar te maken.

Deze column verscheen in het Boekman Magazine. Nummer 144 met het thema Cultuur als probleemoplosser